Van strenge regels naar vrij spelen: de geschiedenis van de Nederlandse speelplek
In 1880 opende aan het Tweede Weteringplantsoen in Amsterdam de eerste openbare speeltuin van Nederland. Kinderen konden daar schommelen, klimmen, wippen en spelen op een vrij speelveld. Maar zomaar naar binnen lopen? Dat kon niet.
Lokale scholen bepaalden welke kinderen toegang kregen. Bij de ingang stonden jongens en meisjes apart in de rij en voordat het spelen begon, werd eerst het reglement voorgelezen.
Dat klinkt ver verwijderd van de openbare speelplek zoals we die nu kennen. Toch werd daar een basis gelegd voor iets wat we nu heel vanzelfsprekend vinden: een eigen plek waar kinderen buiten kunnen spelen.

Waarom kreeg Nederland een speeltuin?
Initiatiefnemer Nicolaas Tetterode was eigenaar van een Amsterdamse lettergieterij, gemeenteraadslid en actief binnen verschillende maatschappelijke organisaties. Tijdens een bezoek aan de Duitse stad Koblenz had hij een gratis toegankelijke kinderspeeltuin gezien. In het snelgroeiende Amsterdam zag hij daar ook mogelijkheden voor.
Kinderen hadden destijds weinig andere speelruimte dan de straat. Tetterode wilde hen een eigen plek geven, maar had daarbij ook een duidelijk opvoedkundig doel. Hij maakte zich zorgen over de invloed van het straatleven en zag de speelplaats als een manier om kinderen te laten wennen aan wat hij ‘orde en gepast genot’ noemde.
Spelen, toezicht en opvoeding kwamen op die eerste Nederlandse speeltuin dus nadrukkelijk samen.


Schommels, wippen en een draaimolen
Het terrein was ongeveer 50 bij 70 meter groot en bood kinderen verschillende manieren om te spelen en te bewegen. Er stonden klimladders, schommels, wippen, rekstokken en een draaimolen. Kinderen konden er ook kegelen, croquet spelen, bikkelen en touwtjespringen.
Sommige onderdelen zouden we vandaag nog direct als speeltoestel herkennen. De gedachte achter het gebruik was wel anders. De eerste toestellen hadden veel raakvlakken met gymnastiek en lichamelijke oefening en kinderen speelden binnen duidelijke regels en onder toezicht.
Dat kinderen behoefte hadden aan zo’n plek, bleek al snel. Alleen al op de speeltuin aan het Tweede Weteringplantsoen werden tussen 8 en 31 mei 1880 in totaal 10.560 bezoeken van kinderen geregistreerd.
De speelplek wordt van de buurt
Een volgende belangrijke stap kwam in 1902. In de Czaar Peterstraat in Amsterdam opende de Oosterspeeltuin, op initiatief van scheepstimmerman Uilke Klaren en bewoners uit de buurt.
Dat was bijzonder. De eerste speeltuinen waren vooral initiatieven van welgestelde burgers. Bij de Oosterspeeltuin namen bewoners zelf verantwoordelijkheid voor de speelplek van hun kinderen.
Het initiatief kreeg navolging en vormde een belangrijke impuls voor de Nederlandse speeltuinbeweging. In steeds meer buurten ontstonden verenigingen die speelplekken oprichtten en beheerden. In 1931 groeide die beweging uit tot een landelijk platform: de Nederlandse Unie van Speeltuin Organisaties, NUSO.
De speelplek kreeg daarmee steeds meer een sociale functie en werd een plek van de buurt.
Ook de inrichting veranderde. De eerste speeltuinen hadden veel open ruimte en houten toestellen die sterk aan gymnastiek deden denken. Vanaf de jaren twintig maakten deze geleidelijk plaats voor metalen toestellen. Zo ontstond steeds meer het beeld van de klassieke speeltuin met schommels, wippen, klimrekken en glijbanen. In de jaren dertig verschenen ook zandspeelplaatsen.


Spelen krijgt een plek in de stad
Na de Tweede Wereldoorlog kwam er opnieuw een belangrijke verandering. Speelruimte voor kinderen kreeg steeds nadrukkelijker een plek in de inrichting van de stad.
In Amsterdam speelde stedenbouwkundige Jakoba Mulder hierin een belangrijke rol. Zij werkte voor de gemeente Amsterdam en vond dat kinderen dicht bij huis gratis en openbaar moesten kunnen spelen. Voor het ontwerpen van nieuwe speelplaatsen werd de jonge Nederlandse architect Aldo van Eyck ingeschakeld.
Van Eyck ontwierp tussen eind jaren veertig en eind jaren zestig meer dan 700 speelplaatsen in Amsterdam. Ze verschenen zowel in nieuwe woonwijken als op open plekken in bestaande buurten. Daarmee kwam spelen letterlijk tussen de huizen te liggen.
Een klimrek zonder vaste spelregels
Van Eyck koos bewust voor eenvoudige vormen. Denk aan metalen klimrekken, bogen, klimkoepels en zandbakken. Een klimtoestel vertelde een kind niet precies wat het ermee moest doen. Je kon erop klimmen, eraan hangen, eronder kruipen, erop zitten of er in je fantasie iets heel anders van maken.
Dat was precies de bedoeling. De eenvoudige vormen gaven kinderen ruimte om zelf te bepalen hoe ze speelden. Dezelfde plek kon daardoor iedere keer een ander spel opleveren. De gemeente Amsterdam omschrijft zijn gedachte achter de toestellen nog steeds als vrij en creatief spelen, zonder vaste regels.
Zijn ontwerpen zijn inmiddels een herkenbaar onderdeel van de Nederlandse ontwerpgeschiedenis. Verschillende speelplekken in Amsterdam worden vanwege hun cultuurhistorische waarde behouden en onderzocht op een mogelijke monumentenstatus.
Die gedachte is ook vandaag nog actueel. In ons inrichtingsconcept Tijdloos spelen gebruiken we eenvoudige en herkenbare vormen die kinderen op verschillende manieren kunnen gebruiken. Een deel van de speeltoestellen grijpt terug op de ontwerpen en ideeën van Van Eyck.


Van speeltoestellen naar een complete speelomgeving
Sinds de eerste speeltuin in 1880 is onze kijk op de inrichting van speelplekken steeds verder veranderd. Tegenwoordig kijken we naar de hele omgeving waarin een kind speelt.
Een speelplek hoeft daarom geen verzameling losse speeltoestellen te zijn. Hoogteverschillen, beplanting, zand, water, boomstammen, keien en routes kunnen allemaal aanleiding geven tot spel. Ook sport, ontmoeten, rust en natuur krijgen een plek. Daarnaast kijken we ook naar dingen zoals klimaatadaptatie en inclusiviteit.
Dat vraagt om een andere manier van ontwerpen. We kijken naar hoe kinderen door een ruimte bewegen, waar verschillende vormen van spel ontstaan, waar kinderen elkaar ontmoeten en welke uitdagingen passen bij verschillende leeftijden en behoeften.
Daarbij bestaat er geen standaardoplossing. Een speelomgeving in een dichtbebouwde stadswijk vraagt iets anders dan een groene plek in een dorp, een schoolplein of de buitenruimte van een kinderdagverblijf.
Van regels volgen naar vrij spelen
Als je de speelplek van 1880 naast die van nu zet, is het verschil groot. Kinderen stonden ooit in aparte rijen, luisterden naar een reglement en hadden toestemming nodig om naar binnen te mogen. Tegenwoordig draait een speelomgeving veel meer om ruimte om te bewegen, ontmoeten, ontdekken en spelen.
In bijna 150 jaar veranderden daarmee zowel de speelplek zelf als onze kijk op buitenspelen.
En die ontwikkeling staat niet stil.


Hoe ziet de speelplek van de toekomst eruit?
Welke rol krijgt de speelplek straks in onze buurten en steden? En hoe zorgen we dat deze blijft aansluiten bij kinderen, de omgeving en maatschappelijke ontwikkelingen?
Lees onze whitepaper Speelplek van de toekomst of ga met onze adviseurs in gesprek over de speelplek van morgen.
